Dienstbode bij ds. W.C. Lamain [4]. „Waar is toch al je geld gebleven?” „In de zakken van Gods volk!”

In 2004 verscheen er in de GezinsGids een serie over dienstbodes die bij ds. W.C. Lamain in dienst waren. Ze kregen een uniek inkijkje achter de muren van de pastorie. Deze keer: Mevrouw M. van Welie-Doudeijns. „De periode in Rijssen is voor mevrouw Lamain gezegend geweest. Ze heeft daar een geestelijke verandering meegemaakt. Ze zei het niet, maar je merkte het wel.”
„Was er in Rotterdam veel volk van God, in Rijssen was dat niet anders,” vertelt mevrouw Van Welie. „Het gezin Lamain werd meteen goed opgevangen. Eerst moest het huis schoongemaakt. We mochten die eerste dagen bij ouderling Haasse eten.
En dan de omgang met de oude vromen. Op zondagavond was er gezelschap bij de oude Dika. Dan zat haar huisje vol. Bijna allemaal vrouwen. De dominee ging daar op maandagochtend heen als het werk het toeliet. Dan spraken ze van hart tot hart.”
Het einde van de toeteboer
„Het huisbezoek deed hij vooral met ouderling Hendrik Ligtenberg. Niemand noemde hem bij zijn naam. In Rijssen hadden de meeste mensen een bijnaam. Hij ook, men kende hem als 'de toeteboer'. Een godzalige man, die wist met een drie-enig God verzoend te zijn. Voorheen had hij in de wereld geleefd. Hij was ongetrouwd en woonde met een broer en zus. Hij had maar één arm.
Op een zondag was hij niet in de kerk. De dominee ging er meteen maandagochtend naartoe. 'Ik ben niet zo goed, dominee', zei hij. 'Kom vanavond nog maar eens.'
Dat deed ds. Lamain. 't Was niets beter. Hij had al drie dagen niets gegeten of gedronken.
'Laten we Psalm 66:6 eens zingen en als u daarna een gebed wilt doen dan is mijn pelgrimsreis ten einde', zei hij.
Ze zongen het vers uit en de dominee ging voor in gebed. Na het amen ging hij de eeuwige heerlijkheid in. Er waren veel van die leesbare brieven in die tijd. Zwakke Dina was er ook zo een, aan wie ds. Lamain hartelijk verbonden was. En nog meer van het volk."
Geestelijke verandering
„Er was genoeg werk in de pastorie. Elke morgen begon ik om half zeven tot zeven uur 's avonds. De klok rond. 't Was een groot huis, de was moest gedaan, het eten klaargemaakt en nog veel meer. Maar ik mag zeggen dat ik het altijd met veel liefde heb gedaan. 'k Heb er nooit spijt van gehad, geen ogenblik. Het was alsof ik het allemaal voor mezelf deed en mevrouw Lamain was als een moeder voor me.
De contacten zijn ook gebleven tot haar dood toe. Ook met enkele kinderen heb ik nog steeds contact.
Ik denk dat de Rijssense tijd voor mevrouw Lamain gezegend is geweest. Ze heeft daar een geestelijke verandering meegemaakt. Daar sprak ze weinig of niet over met me. Ook kwam ze niet aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Maar haar leven sprak. En als er 's avonds tijd voor was, nam ze een prekenboekje en las mij voor. Vaak van ds. Van Reenen.”
Op de fiets naar Friesland
„De dominee was zelden thuis. Een grote gemeente en vaak was hij op pad om te preken. Tot en met de zaterdagavond toe.
In Rijssen had hij geen auto, die had hij in 1941 al verkocht toen hij zag aankomen dat de Duitsers die zouden vorderen. Dan ging hij op de fiets uit preken. Hij heeft wat afgefietst, tot in Genemuiden, ja zelfs tot Friesland toe.
Regelmatig kwam hij dan met een koffertje vol eten weer thuis. Op vaste adressen stond een koffertje klaar. Niet voor hemzelf. Voor waar het nodig was. En die adressen wist hij heel goed.”
Huwelijk
„Toen ik een half jaar in Rijssen was, werd het mijn aanstaande man teveel. We zagen elkaar op z'n best eenmaal in de zes weken. Hij schreef een brief aan de dominee met de vraag of ik weg mocht.
Daar was het gezin Lamain niet blij mee. Mevrouw was in verwachting van het zevende kind.
En trouwen... vroeger wilde ik zelfs helemaal geen verkering. Ik dacht dan: als ik trouw en kinderen krijg gaat het wel om schepselen met een ziel voor de eeuwigheid. Dat woog me toch zo zwaar. En dat is nog zo, nu ze al lang allemaal de deur uit zijn. Dat blijft drukken.
In 1944 zijn we in Poortugaal getrouwd, tegelijk met mijn zus Cor en haar verloofde Marten Visser. In één dienst. Zo ging dat vroeger.
Ds. Lamain kwam ervoor over. Midden in de oorlog. Een huis was er niet, we zijn bij mijn ouders ingetrokken. Daar waren ook vaders ouders uit Middelburg geëvacueerd, dus we zaten met drie generaties onder hetzelfde dak. En ook daar woonden er van Gods volk in de omgeving.”
Gouden kettingen
„Mijn grootmoeder van moeders kant... Mag ik dat nog even vertellen? 't Heeft wel niets met het gezin Lamain te maken, maar toch...
Mijn grootmoeder was een boerendochter. Daar zat wel wat geld. Ze waren gereformeerd. Maar toen grootmoeder op haar 21e tot bekering was gekomen, kon ze het daar niet meer vinden.
Ze is de predikant gaan waarschuwen en ook op de meisjesvereniging is ze gaan zeggen dat ze de Heere moesten zoeken. Het ging al gauw door het dorp: 'Die Gerritje de Raadt is gek geworden'. Ze begrepen er niets van.
Haar gouden armbanden en kettingen gaf ze weg, die hadden geen waarde meer voor haar. Toen moeder trouwde, was er nauwelijks geld meer. Haar moeder vroeg: 'Kind, waar is toch al je geld gebleven?'
En weet je wat ze antwoordde? 'In de zakken van Gods volk, moeder!'
Ze kende mensen die niet eens te eten hadden.
Moeder trouwde later met Abraham Doudeijns, die de gereformeerde gemeente in Poortugaal zolang heeft mogen dienen. En ook aan hem was ds. Lamain hartelijk verbonden. Geestelijke banden, zoals in Rotterdam en Rijssen."





















