Ex-moslim Emiljan Dungu spreekt namens GBS in Nederland. „Mijn vrouw Lara huilde van blijdschap. Die avond begreep ik dat wij op de juiste plaats waren”

Hij groeide op in een Albanees moslimgezin, maar hoorde op zijn achtste voor het eerst het Evangelie. Emiljan Dungu kreeg een Nieuwe Testament bij een evangelisatiedienst en las het als klein jochie in korte tijd uit. Nu doet hij naast zijn werk als chauffeur evangelisatiewerk in Italië. Hij vertelde er deze week over in Nederland op scholen, op uitnodiging van de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS) en de Stichting Evangelisatie Bootvluchtelingen (SEB). „Mijn vader ging vaak jagen en was dan de hele dag weg. Dat was goed nieuws voor mij, want dan kon ik naar de kerk”
Hij groeide op in een klein Albanees stadje, dat niettemin bekend is als een bedevaartsoord voor rooms-katholieken. Zelf groeide Emiljan Gundu op in een moslimgezin. „Mijn ouders waren niet erg islamitisch, maar mijn tante nam me altijd mee naar de moskee. Mijn neef was als imam de geestelijke leider van de familie. Wanneer hij langskwam, onderwees hij ons uit de Koran.”
Als Emiljan acht jaar is, komt hij in contact met een buitenlandse evangelist. Er is op dat moment een burgeroorlog en de evangelisten maken gebruik van die onrust om te evangeliseren onder Albanezen.
Emiljan wordt door oudere neven meegenomen naar zo’n bijeenkomst. „Zij waren enkele maanden vóór mij tot bekering gekomen. Mijn ouders wisten dat niet, ze hadden er niets over verteld. Ze gingen stiekem en ik ging stiekem met hen mee.”
De Bijbel, de waarheid
Hij kreeg er een Nieuwe Testament en ging dat thuis lezen. Als jochie van acht jaar voelde hij: dit is de waarheid. Een gevoel dat hij nooit had bij de koran. „Na een paar weken kwam mijn vader erachter dat ik naar de kerk ging. Hij dacht dat het niet serieus was omdat ik nog maar een kind was.
Hij pakte het Nieuwe Testament ook niet af. Ik had er een beetje lacherig over gedaan. Mijn vader dacht dat ik het vanzelf wel een keer weg zou gooien.”
Maar het is geen bevlieging. Het ventje leest de Bijbel in korte tijd helemaal door en de Heere werkt door in zijn leven. „Toen mijn vader ontdekte dat ik het echt las en dat ik het serieus nam, pakte hij het af. Hij wilde het in het vuur gooien. Ik huilde en hield hem tegen. Daarop mocht ik het toch houden.
Speelde uw tante daarin een rol?
„Ja, ze zei tegen mijn vader: al geloven wij niet in de Bijbel, het zou een heilig boek kunnen zijn. Dat weerhield hem ook.
Naar de kerk gaan deed ik in het geheim. Ik ging niet elke zondag, maar vooral wanneer mijn vader weg was. Die ging vaak jagen en was dan de hele dag weg. Dat was goed nieuws voor mij, want dan kon ik naar de kerk.
Zo ging dat vanaf mijn negende tot mijn vijftiende levensjaar. Mijn vader begon de verandering in mijn leven te zien. Ik was een gehoorzame zoon. Daardoor veranderde zijn houding.”
Ook tegenover uw kerkgang?
„Ja, in die laatste jaren zei ik het tegen hem dat ik naar de kerk ging. Dan vroeg ik: ‘Mag ik vanmiddag naar de kerk gaan?’ Hij gaf toestemming en begon me vrij te laten.”
Welke rol speelde uw moeder in dit verhaal?
„Mijn moeder wist wel dat ik naar de kerk ging, maar ze liet me gaan. Ze hield veel van mij en omdat ze dag dat ik gelukkig was en dat ik veel van de Bijbel hield, stond ze het toe.
Toen kreeg mijn vader kanker. Hij had een hersentumor. Hij stierf toen ik zestien jaar oud was. Hij was zelf toen drieënveertig jaar.
Ik ben toen gaan werken om het gezin te onderhouden. Mijn vader had een bedrijf dat patronen voor geweren maakte. Dat bedrijf heb ik een aantal jaren voortgezet. Ik stopte ermee, omdat men zei dat de ziekte van mijn vader veroorzaakt was door de dampen van het lood.
Mijn tante zei dat ik ermee moest stoppen en moest proberen naar Italië te gaan.”
Waarom Italië?
„Daar woonde ze zelf ook. Ze was getrouwd met een Italiaan. In dertien dagen reisde ik naar Italië. Sommige stukken legde ik met de auto af, maar alle grensovergangen door de bergen deed ik lopend. Ik betaalde iemand in Albanië en hij bracht mij samen met andere gidsen tot aan Triëst. Ik was zeventien jaar oud toen ik in Italië aankwam.”
Omdat ik minderjarig was, kreeg ik verblijfsdocumenten onder de voogdij van mijn tante. Daarna heb ik gezinshereniging aangevraagd en zijn mijn moeder en jongste zus ook gekomen. Mijn broer niet, omdat hij inmiddels meerderjarig was. Hij bleef alleen achter in Albanië.”
Zag u hier de hand van de Heere in?
„Ja. Mijn moeder raakte in een diepe depressie doordat ze eerst haar man had verloren en nu ook mij. Als ik haar belde, probeerde ze te verbergen dat ze had gehuild en deed ze alsof het goed met haar ging.
Ik heb haar toen aangemoedigd om in de Bijbel te lezen. En dat deed ze. Juist in die periode van depressie heeft zij de Heere leren kennen.
Zelf was ik inmiddels voorganger geworden in een kleine evangelische Broedergemeente. Toen mijn moeder naar Italië kwam, heb ik haar zelf mogen dopen. Dat is een groot wonder.”
Evangelisatie
Dungu ging naast zijn werk als chauffeur een opleiding op een Bijbelschool volgen. „Ik had het verlangen om de Bijbel beter en dieper te leren kennen. Ik vond het geweldig om te studeren en dingen uit te zoeken.
Naast mijn studie evangeliseerde ik elke dag. Op mijn werk sprak ik met mensen over het Evangelie en ik deelde Bijbels uit. Soms ook aan mensen die ik zomaar op straat tegenkwam. Sommigen willen er per se voor betalen, maar neemt ik niet aan. De Bijbel is een gave van God, dan kun je die toch niet voor geld verkopen?
In Italië is het veel gemakkelijker om onder buitenlanders te evangeliseren dan onder Italianen. Buitenlanders staan er meer voor open. Met rooms-katholieken heb ik meer moeite. Maar ook onder hen zijn er tot mijn vreugde mensen die de Bijbel werkelijk op waarde hebben leren schatten.
Mijn hoop is dat ik op een dag mijn huidige werk kan verlaten en ander werk kan vinden waardoor ik meer tijd krijg voor de dienst van de Heere.”
Ziet u wel eens vrucht op het evangelisatiewerk?
„Er gebeurt heel veel, maar ik zal één ervaring vertellen. We deelden dekens en hulpgoederen uit aan daklozen. Bij een station waren zo'n tien jonge mensen. Ze hadden het duidelijk koud. Ze hadden geen dekens en ze hadden veel honger. Ze begonnen meteen te eten toen wij voedsel uitdeelden.
Toen alles uitgedeeld was, vroeg ik of we met hen mochten bidden. Slechts twee van hen stemden toe. De anderen werden boos en wilden niet luisteren.
Thuis baden we voor hen. Toen wij later opnieuw langskwamen, zagen we hen weer. Ik zei weer dat iedereen die mee wilde bidden, zich mocht aansluiten. Nu sloten meer mensen zich aand.
De derde keer verzamelde bijna iedereen zich, behalve één man. Maar terwijl we aan het bidden waren, kwam hij opeens uit zichzelf dichterbij en ging hij bij de kring staan. Dat gaf zo'n grote vreugde in mijn hart. Het was alsof de Heere antwoord gaf.
Een volgende keer zeiden zij tegen elkaar: ‘Kom, we moeten gaan bidden’. Ik stond op het punt om te beginnen, toen zij zelf voor óns begonnen te bidden voor ons. Ze dankten de Heere voor ons. Mijn vrouw Lara begon van blijdschap te huilen en ik stond te trillen. Die avond begreep ik dat wij op de juiste plaats waren, dat de Heere wilde dat wij daar waren.
Wanneer wij later terugkwamen, kwamen zij naar ons toe. Zij omhelsden ons en huilden. Ze zeiden: ‘God heeft jullie hierheen gestuurd. Wij hebben jullie nodig. Jullie zijn hier omdat God jullie hierheen heeft gebracht’.

















