„In drei Tagen bin ich fertig mit dir, du Scheinheiliger” Hoe een Duitse kapo ds. Jac. Overduin kapot probeerde te maken

Levensverhaal 7 oktober 2026 4 minuten W.M. Sturm
Ds. Jac. Overduin
Ds. Jac. Overduin

Ds. Jac. Overduin verzette zich in de oorlog openlijk tegen het beperken van christelijk onderwijs door de nazi's. Hij moest dat bekopen met gevangenschap in concentratiekamp Dachau. De commandant van de groep waarin hij terechtkwam, had een duivelse aversie tegen de predikant. Hij deed er alles aan om de predikant kapot te maken. Maar voor ds. Overduin was er ook een andere kant. ‘Toen ik onder de mishandelingen in de kolen lag neergetrapt als een hoopje vuil, zong het in mijn hart: ‘Als ik omringd door tegenspoed bezwijken moet, schenkt Gij mij leven!’

Op het einde van 1942 kwam voor ds. Overduin het dieptepunt. Hij was ingedeeld bij het zogenaamde ‘kolencommando’. Het was voor hem bijna ondraaglijk, niet alleen omdat hij elk ogenblik kon instorten, maar ook omdat er een onderkapo leiding had, die hem als enige geestelijke ‘wilde wegwerken in de dood’.

Vanaf den eersten dag, dat deze erachter kwam, dat Overduin geestelijke was, had hij geen leven meer. Hij verzekerde hem: „In drei Tagen bin ich fertig mit dir, du Scheinheiliger, du Elender, du Mistiger, du Verwahrloster. In drei Tagen habe ich solche Leute kaput.”

Het zwaarste werk
De onderkapo deed er alles aan om hem binnen drie dagen kapot te krijgen. Tijdens de mars naar de kolenwagons liep hij achter hem en trapte hem telkens met zijn zware klompschoenen tegen voeten en benen, zodat de etterende wonden in zijn benen zouden verergeren. 

Ook kreeg hij het zwaarste werk: zijn zakken moesten extra vol zijn en bij het laden moest hij soms tien zakken tillen waar anderen er vijf droegen. Het moest bij hem altijd sneller.

Meerdere keren per dag viel de door en door misdadige man hem razend aan, schold hem uit voor luiheid en sloeg hem bloedend neer

Meerdere keren per dag viel de door en door misdadige man hem razend aan, schold hem uit voor luiheid en sloeg hem bloedend neer. Alles gebeurde onder grove godslasteringen.

Wanneer het commando eten had weten te regelen, zoals aardappelen of soep uit de S.S.-keukens, mochten de anderen eten. Maar ds. Overduin moest doorwerken en kreeg niets.

...Schenkt Gij mij leven
Overduin schrijft: ‘Het was inderdaad een ‘hel’. Toch bleef de hemel niet uit. Die daalde toch weer neer. Ik weet nog goed, dat ik onder die mishandelingen, in de kolen neergetrapt als een hoopje vuil, nochtans altijd in mijn hart zong:

Als ik omringd door tegenspoed
Bezwijken moet, schenkt Gij mij leven!
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw als sterk,
Hij zal Zijn werk voor mij volenden.
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron, wil bijstand zenden.
(Ps. 138 : 4)

Het werd een tempel Gods, waar de lofzangen omhoog stegen naar Gods troon. Dan zijn we toch weer de gelukkigste mensenkinderen naar de geest, al zijn wij rampzaligen naar het buitenkantsleven.

‘Tot grote verbazing en woede van den ondercapo werd ik door Julius meegenomen’

En als we na zo’n helse dag nog weer een helse ontvangst op het blok kregen, dan was het 'n wonder, dat er nog adem in je longen was en het hart nog klopte, en dan zei ik weer Paulus na: „Die ons uit zo’n groten dood verlost heeft, en nog verlost, en op welken wij hopen, dat Hij nog verlossen zal.”’

Uitkomst
De predikant besefte dat hij zou ineenstorten als de commandant bij hem in de buurt bleef. ‘Maar hoe? (…) Deze hopeloze zaak brachten we voor de Heere. We vroegen God of Hij de wegen wilde openen om uit dit moordcommando verlost te worden.

Het leek erop dat God met mij wat anders voorhad dan me nu reeds in de eeuwige heerlijkheid op te nemen. Want Hij verhoorde mijn gebeden door tijdelijke uitkomsten heen’.

Eén van Overduins medegevangenen ergerde zich aan hoe de commandant met de predikant omging. ‘Ik kwam met hem overeen dat hij een briefje van mij zou brengen bij Julius, een zeer fatsoenlijk man op den Arbeidseinsatz, waarin ik hem de onhoudbare situatie op mijn commando vertelde. Ik smeekte hem om mij ter wille van mijn gezin en gemeente uit de klauwen van de dood te redden’.

‘Ik kon God niet genoeg danken, dat mij deze grote genade bewezen was dit te mogen doormaken’

's Maandagsavonds werd het briefje bezorgd. ‘Op dinsdagsmorgen half zes kwam Julius op de appelplaats op ons commando af en riep 30650 eruit. Tot grote verbazing en woede van den ondercapo werd ik door Julius meegenomen en geplaatst bij het grote commando Transportbaulage II.

We gingen weer naar de spoorwegemplacementen, waar een vijftiental wagons vol bouwmaterialen stonden om gelost te worden: zware balken, planken, rioolbuizen, schoorstenen, deuren, vensters, zakken cement, stenen, motoren, ijzer voor gewapend beton enzovoort. ‘Hier had ik het goed. De capo joeg me niet op en liet me zoveel mogelijk rusten. Ook de ondercapo maande me eerder tot niet-werken dan tot werken aan'.

Danken voor Dachau
Nadat Overduin in oktober 1943 werd vrijgelaten keek hij terug op die enkele jaren als een benauwde nachtmerrie. Maar er was ook een andere kant:

‘Het was een aaneenschakeling van wonderen van het Koninkrijk der hemelen. Ik kon God niet genoeg danken, dat mij deze grote genade bewezen was dit te mogen doormaken. (…) 

Alles wat ik gepreekt heb in dagen van voorspoed en rust is waar, volkomen waar. God heeft die prediking in de vuurproef gegooid, maar het is als boodschap Gods goud en nogeens goud. (…)

Wie waarachtig gelooft, zal zalig worden. Zalig, ook in een concentratiekamp!’

Uitgelicht

Nieuw binnen

Deze week populair

Best Gelezen Kerk
Best Gelezen Opvoeding