'We hadden drie jongens aan boord, die schreeuwden om hun moeder' Urker visser over een wonderlijke redding op zee in 1907

Verdieping 21 augustus 2026 4 minuten Redactie
Kotter
Archief

In de GezinsGids van 1 februari 1974 staat een brief afgedrukt van T. Woord uit Urk, die het jaar ervoor op 91-jarige leeftijd was overleden. Hij beschreef in die brief een wonderlijke redding op zee. ‘Dit zullen we nooit vergeten, zo’n wonderlijk zeereisje.’

‘Ik wil nu eens iets vertellen van een zeereisje dat ik meemaakte op de Noordzee in het jaar 1907. Ik was gemonsterd op een haringlogger van Katwijk aan Zee, de KW 60.

Wij voeren uit op 8 juni 1907. Het ging vanuit IJmuiden naar de visplek naar de noord om op 60 graden noorderbreedte te vissen, maar we kwamen terecht in de Ierse Zee. Het was een dichte mist en ons kompas deugde ook niet.

We hebben er drie weken gedwaald en toen zijn we op goed geluk naar zuidoostelijke koers gezet'.

We hadden drie jongens aan boord, van dertien, veertien en zestien jaar, die maar schreeuwden om hun moeder. Maar ieder had genoeg aan zichzelf

'We hadden de dood voor ogen'
Dat ging niet goed. 'Er brak een storm los, die ons naar de westkust tussen de rotsen van Engeland dreef. Het was een nacht met regen en zware storm en het stond er hachelijk met ons voor; ja, de dood hadden we voor ogen.

Het volk was op het achterschip. We hadden drie jongens aan boord van dertien, veertien en zestien jaar, die maar schreeuwden om hun moeder. Maar ieder had genoeg aan zichzelf.

De zeeën rolden over het schip en ieder greep zich vast om niet overboord te slaan. Het scheen voor ons een verloren zaak'.

In de nood
Het bracht Woord in de nood. 'Ik dacht zo voor God te moeten verschijnen, en dat onbekeerd. Dat zou toch wat wezen. Uit de benauwdheid ging ik op mijn knieën, met mijn handen aan het anker, terwijl de zeeën over mij heen gingen. Ik riep tot de Heere om het behoud van mijn arme ziel.

Maar de Heere had nog geen lust in mijn dood.

Ik greep mijn oliejas en stak die in brand. En ja, het schip kwam op ons af

Hij zond een stoomtrawler, die van IJsland kwam en naar een haven in die buurt zocht. Die was ook op de zuidkant gelopen en kwam recht op ons aan.

Hij zag ons niet, want het was donker en we hadden geen lichten aan.

Ik greep mijn oliejas en stak die in brand. En ja, het schip kwam op ons af. Ik moest die brandende oliejas loslaten, daar mijn vingers dreigden te verbranden.

Ik bleef in het tuig van de mast zitten en dat ging ook aan het branden. Maar wonder boven wonder nam dat stoomschip ons mee naar de haven, dwars door Engeland, en bracht ons weer in de Noordzee.

Wat bleek toen? Dat we maar 5 graden ten zuiden van de visplek waren die we voor de reis bedoeld hadden'.

Onder het zingen viel de schipper huilend neer. En ik had ook het gemoed vol, daar de Heere zo goed is voor een slecht volk

De preek van zondagmorgen
Op zondagmorgen knapte het weer op, maar de schipper zei: ‘Mannen, nu zullen we eerst een gebed doen en dan een preek lezen.’ Op zondag visten we niet, dan hadden we tweemaal kerkdienst aan boord. Ik geloof dat dat nu niet meer gebeurt op de haringvloot.

We hadden een buitengewoon goede schipper. Toen de preek uit was, zei hij: ‘Toe, geef jij nu maar een versje op.’ Ik gaf op Psalm 66 vers 5:

Een net belemmerd’ onze schreden,
Een enge band hield ons bekneld;
Gij liet door heerszucht ons vertreden;
Gij gaaft ons over aan ’t geweld;
hier scheen ons ’t water te overstromen;
daar werden wij gedreigd door ’t vuur;
maar Gij deed ons ’t gevaar ontkomen,
verkwikkend ons ter goeder uur.

Onder het zingen viel de schipper huilend neer. En ik had ook het gemoed vol, daar de Heere zo goed is voor een slecht volk om ons uit zo’n grote nood nog weer te redden.

Ik zei: ‘Schipper, de Heere kan hier ook wel haring sturen.’ En toen ik dat zei, gaf hij zich gewonnen

Netten uitschieten
Maandagmorgen zouden we naar de noord gaan om te vissen, want op de plek waar wij waren, was in die tijd geen haring, naar men dacht. We waren immers al drie weken op zee en hadden nog niet gevist, zodat we nog geen haring in het schip hadden.

Ik zei tegen de schipper: ‘Willen we hier de netten maar schieten?’

Maar hij zei: ‘Nou, Teun, hoe krijg je dat nu in je hoofd? Om deze tijd is hier toch geen haring?’

Ik zei: ‘Schipper, de Heere kan hier ook wel haring sturen.’ En toen ik dat zei, gaf hij zich gewonnen.

We gingen in schot en de netten werden uitgezet. De hele bemanning was ertegen en ze zeiden dat er van deze reis niets terecht zou komen.

ik zei in mijn gebed: Heere, mocht U onze netten ook eens vullen, gelijk Gij Petrus’ netten gevuld hebt

De netten gevuld
In de avond ging ik naar de kooi en ik zei in mijn gebed: Heere, mocht U onze netten ook eens vullen, gelijk Gij Petrus’ netten gevuld hebt, want wat bij de mensen onmogelijk is, is toch bij U mogelijk?

En wat een wonder: toen wij de netten inhaalden, zaten er 86 tonnen haring in. De schipper begon te huilen dat de Heere zo goed was.

Wij visten die week en het schip zat vol, en wij waren de eersten van de vloot binnen en maakten een reuzenprijs. 

Ik zei tegen de schipper: ‘Dit zullen we nooit vergeten, zo’n wonderlijk zeereisje.’ Daar was de schipper het wel mee eens. De Heere komt er de eer van toe.

Uitgelicht

Nieuw binnen

Deze week populair

Best Gelezen Kerk
Best Gelezen Opvoeding